0
Nieuws

COLUMN: Bijzondere positie voor zittende opdrachtnemer

Nieuws 15 mei 2017

Zittende opdrachtnemer let op!Bestaande opdrachten worden met enige regelmaat opnieuw in de markt gezet door middel van een aanbestedingsprocedure. De ten tijde van de aanbestedingsprocedure zittende opdrachtnemer verkeert in een bijzondere positie.


Zittende opdrachtnemer let op!


Bestaande opdrachten worden met enige regelmaat opnieuw in de markt gezet door middel van een aanbestedingsprocedure. De ten tijde van de aanbestedingsprocedure zittende opdrachtnemer verkeert in een bijzondere positie. Hij verkeert immers feitelijk in een andere positie dan zijn concurrenten; is als enige de zittende opdrachtnemer. Daardoor kent de aanbestedende dienst de werkwijze en kwaliteit van deze opdrachtnemer.


De praktijk leert dat een zittende opdrachtnemer bij de aanbesteding van ‘zijn’ opdracht zich onvoldoende realiseert dat het de aanbestedende dienst niet is toegestaan om haar als zittende dienstverlener anders te behandelen dan de concurrentie. Dit resulteert er dan in dat de zittende opdrachtnemer te weinig aandacht aan de (kwaliteit) van de inschrijving, bijvoorbeeld een plan van aanpak, besteedt. De redenering is dan (onbewust): de aanbestedende dienst weet op welke wijze ik de opdracht uitvoer dus is het niet noodzakelijk een uitgebreide beschrijving en onderbouwing bij mijn inschrijving te voegen.


Dat is een misrekening. Het aanbestedingsrecht dient immers een eerlijke mededinging te garanderen (waarborgen). Dat is alleen mogelijk als iedere inschrijving op gelijke wijze wordt beoordeeld. Dit geldt dus ook voor de inschrijving van de zittende opdrachtnemer.


In een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag gaat het (wederom) mis met een zittende opdrachtnemer omdat deze van mening was dat zij niet behoefde in te gaan op de vraag van de aanbestedende dienst naar een implementatieplan. De zittende opdrachtnemer kreeg daardoor niet het maximale aantal punten.


De voorzieningenrechter maakt korte metten met het betoog van de zittende dienstverlener dat bij gunning aan haar geen implementatieplan nodig zal zijn en dat zij dus het desbetreffende plan niet bij haar inschrijving behoefde te voegen. De voorzieningenrechter verwijst daarbij allereerst naar het genoemde gelijkheidsbeginsel. Daarnaast wijst de voorzieningenrechter op het antwoord van de aanbestedende dienst waaruit eveneens blijkt dat de zittende opdrachtnemer een implementatieplan diende aan te leveren.


Severijn Hulshof advocaten


 


Deze column is eerder verschenen in de printuitgave van weekblad Cobouw.


 


Het product is toegevoegd
Naar je productoverzicht Verder oriënteren